Vennootschapsbelasting


Vennootschapsbelasting in het BBV

Op 18 december jl. is het wetsvoorstel modernisering vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen aangenomen door de Tweede Kamer. Het achterliggende doel van het wetsvoorstel is, mede onder druk van de Europese Commissie, het scheppen van een gelijk speelveld tussen overheidsondernemingen en private ondernemingen. De behandeling in de Eerste Kamer vindt begin 2015 plaats.

Dat de VpB-plicht voor overheidslichamen zoals  gemeenten en provincies  er daadwerkelijk komt, staat inmiddels wel vast. In de aanloop naar de wetsvaststelling bestaan er dan ook al veel vraagstukken rondom de concrete invoering van de vennootschapsbelastingplicht (hierna: VpB-plicht) voor deze lichamen. Gemeenten en provincies moeten immers in de begroting voor 2016 al rekening houden met de VpB-heffing. Welke activiteiten zijn belastingplichtig, hoe wordt het fiscale resultaat op deze activiteiten bepaald en hoe gaat de fiscale openingsbalans eruit zien? Dergelijke vraagstukken worden momenteel door de werkgroep VpB (met vertegenwoordigers vanuit de koepels VNG, IPO, UvW en vanuit het ministerie van Financien  en de Belastingdienst) zoveel mogelijk uitgewerkt in praktische handreikingen.

Om alvast enige duidelijkheid te verschaffen op het fiscale terrein komt de commissie BBV in dit nieuwsbericht met een vooraankondiging van de wijzigingen die in het BBV zullen worden doorgevoerd naar aanleiding van de Vpb-plicht voor gemeenten en provincies. De wijze waarop de VpB-last in de begroting en de jaarstukken moet worden verwerkt, is immers onafhankelijk van de vraag welke activiteiten als belastingplichtig worden aangemerkt en hoe de VpB-last moet worden berekend. De commissie BBV heeft daarom een aantal fundamentele besluiten genomen over de begroting en verantwoording van de VpB-heffing, welke zullen worden vertaald in de verslaggevingswetgeving.

Fiscale winstbepaling extracomptabel
De VpB-heffing moet worden bepaald op basis van de fiscale grondslag. Dit betekent dat de fiscale winstbepaling extracomptabel zal plaatsvinden en er geen latente belastingvorderingen en/of schulden worden gevormd. Dit sluit het beste aan op de specifieke kenmerken en doelstelling van het BBV- verslaggevingsstelsel.

De commissie heeft niet gekozen voor het alternatief waarbij de winstbelasting wordt bepaald op basis van de commerciële grondslag, waarbij de verschillen tussen de commerciële (BBV) en fiscale winstbepaling tot uitdrukking komen via belastinglatenties. Argumenten die hebben meegewogen in dit besluit zijn o.a. dat voor gemeenten en provincies slechts een partiële belastingplicht zal bestaan, waardoor de relatie tussen het commerciële (BBV) resultaat en het fiscale resultaat zeer beperkt is. Daarnaast bestaat door de (meerjaren) begrotingssystematiek reeds inzicht in VpB-heffing in de toekomstige jaren en bieden belastinglatenties geen toegevoegde waarde ten aanzien van het inzicht in de positie ten opzichte van de Belastingdienst. Ook het belang van aandeelhouders hierin ontbreekt bij overheidslichamen.

VpB-heffing maakt als last onderdeel uit van het resultaat in de begroting en jaarrekening
Omdat de resultaten op fiscaal belaste activiteiten onderling worden verrekend en aangifte zal worden gedaan over het totale (gesaldeerde) resultaat, moet de VpB-heffing worden begroot en verantwoord als een centrale post in de programmarekening. Hiervoor zal een aparte IV3-functie beschikbaar komen. Er vindt geen nadere toerekening plaats aan producten/programma's.

De VpB-heffing wordt verwerkt als een last op een algemeen programma en maakt op die manier onderdeel uit van het saldo van baten en lasten en het resultaat.

Een meer uitgebreide toelichting op de gemaakte keuzes zal worden opgenomen in de memorie van toelichting bij het Wijzigingsbesluit waarin de wijzigingen in het BBV zullen worden verwerkt. Dit zal overigens plaatsvinden afhankelijk van de vaststelling van de wet modernisering vennootschapsbelastingplicht voor overheidsondernemingen.

Ook zal in samenhang met de uitwerking van de voorliggende fiscale vraagstukken nader worden bekeken of nadere aanpassing van het BBV op onderdelen wenselijk is. Het belangrijkste voorbeeld vormen de grondexploitaties. In de uitwerking van de VpB-plicht voor gemeenten is gebleken dat op fiscaal gebied een sterke behoefte bestaat aan de afbakening van het begrip grondexploitaties en de kosten die hieraan worden toegerekend. De commissie BBV is vertegenwoordigd in de werkgroep die dit nader uitwerkt. Uitgangspunt hierbij is om zoveel mogelijk uniformiteit te creëren in de definitie, met als uitgangspunt de Wet ruimtelijke ordening, waar fiscaal- en BBV-technisch op zal worden aangesloten.